Logo Slingeland Ziekenhuis.
Topbalk beeld rechts.
Topbalk beeld midden.
 
Klik op deze knop om alle folders te doorzoeken.Zoek folders
Klik op deze knop om dit document te printen.Print pagina
Klik op deze knop om dit document als PDF te downloaden.Download PDF
Klik op deze knop om de tekstgrootte te vergroten.Grotere tekst
Klik op deze knop om de tekstgrootte te verkleinen.Kleinere tekst

Folder informatie logo

Chirurgie
Maag-, Darm- en Leverziekten

Patiënteninformatiewijzer voor dikkedarm- of endeldarmkanker

De knop om deze folder als favoriet te markerenFavorietDe knop om deze folder per email door te sturen.Stuur door

Inhoudsopgave


1. Adressen en telefoonnummers


2. Inleiding
2.1 Samenwerking

3. De dikke darm en endeldarm

3.1 Inleiding
3.2 Darmkanker
3.3 Bevolkingsonderzoek

4. Begeleiding en ondersteuning

4.1 Inleiding
4.2 Verpleegkundig specialist
4.3 Lastmeter
4.4 Omgaan met kanker
4.5 Lotgenotencontact

5. Stadium van darmkanker

5.1 Inleiding
5.2 TNM-indeling

6. Behandelmogelijkheden
6.1 Inleiding
6.2 Operatie
6.3 Behandelingen voorafgaand aan de operatie bij endeldarmkanker
6.3.1 Korte voorbestraling voorafgaand aan de operatie
6.3.2 Korte voorbestraling met herstelperiode voorafgaand aan de operatie
6.3.3 Chemoradiatie met herstelperiode voorafgaand aan de operatie
6.4 Behandeling na de operatie bij dikkedarmkanker

7. Eventuele behandeling voorafgaand aan de operatie bij endeldarmkanker *


8. De operatie bij darmkanker

8.1 Inleiding
8.2 De operatie
8.2.1 Risico’s en complicaties

8.3 Voorbereiding op de operatie
8.3.1 Centraal Planbureau
8.3.2 Prehabilitatie: fit voor uw operatie
8.3.3 Afspraak met de chirurg en verpleegkundig specialist coloncare
8.3.4 Bezoek aan het medicatiespreekuur en de anesthesioloog
8.3.5 Bezoek aan de stomaconsulent
8.3.6 Preoperatief onderzoek Geriatrie
8.3.7 Medicatie
8.3.8 Laxeren
8.3.9 Wat u voorafgaand aan de operatie wel en niet mag eten
8.3.10 Kauwgom kauwen


8.4 De ziekenhuisopname

8.5 Pijnbestrijding na de operatie
8.5.1 Soorten pijnbestrijding na de operatie
8.5.2 Zorg voor voldoende pijnstilling


8.6 Na de operatie
8.6.1 Voeding
8.6.2 Voorkomen van misselijkheid en braken
8.6.3 Bewegen
8.6.4 Infuus en katheters
8.6.5 Laxeermiddel


8.7 Weer naar huis
8.7.1 Wanneer mag u weer naar huis
8.7.2 Richtlijnen voor thuis


8.8 Controleafspraken
8.8.1 Telefonisch contact
8.8.2 Controleafspraak op de polikliniek


8.9 Wanneer moet u een arts raadplegen

8.10 Registratie van uw gegevens


9. Controle na de behandeling(en)

9.1 Inleiding
9.2 Controle
9.3 Begeleiding
9.4 Overzicht van de controleafspraken na de operatie

10. Herstel na de behandeling

11. Erfelijkheid

11.1 Inleiding
11.2 Ziektebeelden die erfelijke darmkanker veroorzaken
11.3 Onderzoek naar erfelijke aanleg

12. Meedoen aan onderzoek

13. Websites en organisaties voor meer informatie

14. Vragen/aantekeningen

NB: De hoofdstukken waar een * achter staat, zijn nog niet in de Patiënteninformatiewijzer opgenomen. Op het moment dat duidelijk is welke informatie voor u van toepassing is, voegt de zorgverlener desbetreffend(e) hoofdstuk(ken) toe.


1. Adressen en telefoonnummers



Zorgcoördinator
Bij vragen over uw behandeling kunt u contact opnemen met de zorgcoördinator. Zij heeft zicht op uw behandeltraject. Heeft u inhoudelijke vragen? Dan verbindt zij u door met de verpleegkundig specialist coloncare.

Bereikbaarheid: van maandag t/m vrijdag tussen 08.30 en 16.30 uur.
Telefoonnummer: (0314) 32 93 40.
E-mail: poligio@slingeland.nl

Verpleegkundig specialisten coloncare
Mdl-artsen
Chirurgen
Oncologen
Verpleegkundig specialist oncologie: Els Meuleman

Spoedeisende Hulp Slingeland Ziekenhuis
24 uur per dag bereikbaar op telefoonnummer (0314) 32 95 37.

Huisartsenpost Oude IJssel
Bereikbaar van maandag tot en met vrijdag van 17.00 tot 08.00 uur en tijdens weekenden en feestdagen op telefoonnummer 085 - 485 3444.

Radiotherapiegroep
Wagnerlaan 47
6815 AD Arnhem
Telefoon: (026) 371 24 12
E-mail: info@radiotherapiegroep.nl
Website: www.radiotherapiegroep.nl


2. Inleiding



De arts heeft u verteld dat u dikkedarmkanker of endeldarmkanker heeft. Goede informatie is belangrijk om uw ziekte te kunnen begrijpen en ermee te leren omgaan. Met deze Patiënteninformatiewijzer willen wij u aanvullende informatie geven over (endel)darmkanker en uw behandeling.

Het is goed om actief betrokken te zijn bij uw behandeling. U beslist immers zelf, in overleg met de arts, voor welke behandeling u kiest. Wij raden u aan uw naasten en/of familieleden de Patiënteninformatiewijzer ook te laten lezen, zodat zij goed op de hoogte zijn van uw aandoening. Ook adviseren wij u om altijd een naaste mee te nemen naar uw afspraak in het ziekenhuis.

De Patiënteninformatiewijzer is uw persoonlijke eigendom. U kunt hierin aantekeningen maken naar aanleiding van de gesprekken die u met zorgverleners heeft gevoerd. Ook is er ruimte voor het noteren van uw vragen, zodat u deze niet vergeet te stellen.

U kunt in deze Patiënteninformatiewijzer de onderwerpen vinden die de zorgverleners met u bespreken tijdens de bezoeken aan de polikliniek of op de verpleegafdeling. Om ervoor te zorgen dat u zoveel mogelijk profijt heeft van de Patiënteninformatiewijzer is het belangrijk dat u bij elk bezoek aan het Slingeland Ziekenhuis deze informatiewijzer meebrengt.


2.1 Samenwerking

A.R.T.Z. Oncologisch centrum
Het Slingeland Ziekenhuis, Rijnstate (in Arnhem) en Ziekenhuis Gelderse Vallei (in Ede) werken op het gebied van oncologische zorg samen onder de naam A.R.T.Z. Oncologische centrum. Medisch specialisten en andere zorgverleners delen kennis en ervaring met elkaar. Daardoor verbeteren we de zorg. Meer informatie over deze samenwerking vindt u op www.artz.nl.

Academische ziekenhuizen
In enkele gevallen is behandeling in het Slingeland Ziekenhuis niet mogelijk. Wij werken samen met verschillende academische ziekenhuizen waardoor het mogelijk is de behandeling het beste te laten aansluiten op uw situatie. Daarom kan het zijn dat u voor behandeling naar bijvoorbeeld een academische ziekenhuis wordt verwezen.


3. De dikke darm en endeldarm



3.1 Inleiding

Bij darmkanker groeien er kwaadaardige gezwellen in de darm. Wanneer we spreken over darmkanker bedoelen we kanker van de dikke darm of het laatste stukje van de dikke darm: de endeldarm. Ongeveer 20% van alle gevallen van dikkedarmkanker zit in de endeldarm. Kwaadaardige tumoren van de dunne darm komen ook voor, maar veel minder vaak dan van de dikke darm.

Dikkedarmkanker heet ook wel coloncarcinoom. Endeldarmkanker noemen we ook wel rectumcarcinoom.

In deze informatiewijzer spreken we over darmkanker. Daar bedoelen we dan ook endeldarmkanker mee.

De buikholte

3.2 Darmkanker

Darmkanker komt veel en steeds vaker voor. Per jaar krijgen ruim 15.000 Nederlanders ermee te maken. Het staat in Nederland bij vrouwen op de tweede plaats van meest voorkomende vormen van kanker (na borstkanker) en bij mannen op de derde plaats (na longkanker en prostaatkanker).

Leeftijd is de belangrijkste risicofactor voor het krijgen van darmkanker. Met name boven de 50 jaar neemt de kans op het krijgen van darmkanker toe. Als darmkanker in uw naaste familie voorkomt (ouders, broers en zussen), heeft u meer kans op het krijgen van darmkanker.

Het lijkt het erop dat de kans op darmkanker groter wordt door:
Wetenschappelijk onderzoek heeft dit echter nog niet bewezen.


3.3 Bevolkingsonderzoek

In 2014 is het bevolkingsonderzoek naar darmkanker ingevoerd. Het bevolkingsonderzoek wordt gedaan bij mannen en vrouwen in de leeftijd van 55 tot en met 75 jaar.

Niet iedereen tussen 55 en 75 jaar wordt direct al uitgenodigd om deel te nemen. Bij de start in 2014 kregen 5 leeftijdsgroepen een oproep voor het bevolkingsonderzoek. Ieder jaar komt er een leeftijdsgroep bij, zodat in 2019 iedereen tussen 55 en 75 jaar minimaal een keer is uitgenodigd.

Mensen jonger dan 55 jaar of ouder dan 75 jaar krijgen (nog) geen uitnodiging. Darmkanker komt namelijk vooral voor bij mensen van 55 jaar of ouder. Personen die ouder zijn dan 75 jaar hebben een hoger risico op darmkanker, maar de kans dat zij aan darmkanker overlijden is kleiner.


4. Begeleiding en ondersteuning



4.1 Inleiding

Als u te horen krijgt dat u kanker heeft, zult u tijd nodig hebben om dit te verwerken. Dat is heel normaal. Kanker heeft vaak een grote invloed op uw leven. Niet alleen voor uzelf verandert er veel, maar ook voor uw naaste omgeving. Mogelijk krijgt u door een behandeling lichamelijke klachten; uw conditie neemt af en u moet inleveren op activiteiten en bezigheden. Dit kan tijdelijk zijn (bijvoorbeeld in de herstelperiode na een operatie), maar ook blijvend. Dit moet u leren accepteren en dat is niet voor iedereen even gemakkelijk. Soms lukt dit prima met hulp van uw partner, familieleden en kennissen. Het is echter ook mogelijk hier professionele begeleiding bij te krijgen.


4.2 Verpleegkundig specialist

Tijdens het gehele traject van onderzoek, behandeling en nazorg heeft u regelmatig contact met de verpleegkundig specialist. Zij is voor u het vaste aanspreekpunt waar u met al uw vragen terechtkunt.


4.3 Lastmeter

Om te weten hoe het met u gaat, maken we gebruik van de zogenaamde ‘lastmeter’. Dit is een meetinstrument om te achterhalen hoe het met u gaat op lichamelijk, emotioneel, psychosociaal en spiritueel gebied. U ontvangt de lastmeter van de verpleegkundig specialist. Wij verzoeken u deze lastmeter tijdens ieder bezoek aan de verpleegkundig specialist ingevuld mee te nemen zodat zij deze met u kan bespreken.


4.4 Omgaan met kanker

Indien nodig en gewenst, kan de verpleegkundig specialist andere zorgverleners betrekken bij uw behandeling. Bijvoorbeeld een diëtist, maatschappelijk werker of psycholoog. In de folder ‘Omgaan met kanker’ leest u meer over deze zorgverleners. Ook kan het zijn dat u wordt verwezen naar een zorgverlener of organisatie buiten het ziekenhuis. De folder vindt u achterin deze map.

4.5 Lotgenotencontact

Als u behoefte heeft aan contact met lotgenoten (mensen die ook darmkanker hebben of hebben gehad), kunt u contact opnemen met SPKS, Leven met darmkanker. Deze patiëntenorganisatie biedt lotgenotencontact, voorlichting en belangenbehartiging voor darmkankerpatiënten en hun naasten.


5. Stadium van darmkanker



5.1 Inleiding

Om de juiste behandeling te kunnen bepalen, is het van belang om te weten in welk stadium de ziekte zich bevindt. Bijvoorbeeld of de tumor nog in de binnenkant van de darm zit, door de wand heen groeit of dat er uitzaaiingen zijn.

U heeft een aantal onderzoeken gehad waaruit een (voorlopig) tumorstadium kan worden bepaald. Het definitieve stadium kan pas worden bepaald nadat het weefsel operatief is verwijderd en door de patholoog is onderzocht.


5.2 TNM-indeling

Het stadium van darmkanker wordt aangeduid aan de hand van de TNM-classificatie. Met behulp van cijfers wordt aangegeven in welk stadium de ziekte zich bevindt.

T = tumorgrootte: de grootte van de tumor en de mate van doorgroei in het omringende weefsel. De T-waarde ligt tussen de 1 en 4.

N = node (engels voor lymfeklier): of er uitzaaiingen zijn in de lymfeklieren en hoeveel. De N-waarde ligt tussen de 0 en 2.

M = metastasen: of er uitzaaiingen zijn in andere organen, botten etc. De M-waarde ligt tussen de 0 en 1.

Stadia dikke darmkanker


6. Behandelmogelijkheden



6.1 Inleiding

De behandeling van patiënten met darmkanker wordt door een team van specialisten uitgevoerd. Nadat alle onderzoeken zijn afgerond, vindt er een multidisciplinaire bespreking plaats waarbij de volgende zorgverleners betrokken zijn:
Tijdens het overleg wordt uw situatie besproken en wordt er een behandelvoorstel opgesteld. Samen met uw arts maakt u de keuze voor een behandeltraject. Daarom is het van belang dat u goed geïnformeerd bent over de behandelmogelijkheden en de voor- en nadelen van deze behandelingen kent. De verpleegkundig specialist informeert u hierover. In dit hoofdstuk zijn de verschillende mogelijkheden in het kort beschreven.

Behandelmogelijkheden dikkedarmkanker
Behandelmogelijkheden dikkedarmkanker


Behandelmogelijkheden endeldarmkanker
Behandelmogelijkheden endeldarmkanker
6.2 Operatie

Bij zowel dikkedarmkanker als endeldarmkanker wordt vrijwel altijd een operatie verricht om de tumor te verwijderen. In hoofdstuk 8 vindt u uitgebreide informatie over de operatie.


6.3. Behandelingen voorafgaand aan de operatie bij endeldarmkanker

Als de tumor zich in de endeldarm bevindt, kan de arts voorstellen om voorafgaand aan de operatie te starten met een voorbehandeling. Hieronder noemen we in het kort de drie mogelijkheden. Indien een van de behandelingen voor u van toepassing is, ontvangt u hier van de verpleegkundig specialist meer informatie over. Die informatie is terug te vinden in hoofdstuk 7.

6.3.1 Korte voorbestraling voorafgaand aan de operatie
Als kanker voorkomt in de endeldarm, kan de tumor worden behandeld met bestraling gevolgd door een operatie. De bestraling heeft in dit geval als doel de kans op terugkeer van de ziekte te verkleinen.

6.3.2. Korte voorbestraling met herstelperiode voorafgaand aan de operatie
Een andere behandeling die mogelijk is bij endeldarmkanker, is bestraling met een herstelperiode gevolgd door een operatie. In dit geval heeft de bestraling als doel de tumor te verkleinen voorafgaand aan de operatie. In de meeste gevallen neemt de grootte van de tumor af in de herstelperiode (van ongeveer tien weken).

6.3.3. Chemoradiatie met herstelperiode voorafgaand aan de operatie
De behandeling bij endeldarmkanker kan ook bestaan uit chemoradiatie met een herstelperiode voorafgaand aan een operatie. Dit houdt in dat u vijf weken bestraling krijgt in combinatie met chemotherapie (tabletten). Chemotherapie maakt de kankercellen gevoeliger voor de bestraling. Twaalf weken na de chemoradiatie vindt de operatie plaats. Het doel van de chemoradiatie in combinatie met de herstelperiode is het verkleinen van de tumor voorafgaand aan de operatie.


6.4 Behandeling na de operatie bij dikkedarmkanker

Bij dikkedarmkanker is het stadium van de ziekte pas na de operatie bekend. Het weefsel dat tijdens de operatie is weggenomen, wordt opgestuurd en bekeken door de patholoog. Afhankelijk van deze uitslag, kan de arts na de operatie chemotherapie adviseren. Als deze behandeling voor u van toepassing is, krijgt u daar op een later moment informatie over.


8. De operatie bij darmkanker



8.1 Inleiding

De mdl-arts heeft uw situatie besproken in het multidisciplinaire overleg en het behandelplan met u doorgenomen. Er is voorgesteld om de tumor in uw darm operatief te verwijderen. De verpleegkundig specialist geeft u specifieke uitleg over de operatie.

In dit hoofdstuk vindt u informatie over de voorbereiding op de operatie, de operatie zelf en adviezen voor na de operatie.

Anatomische afbeelding dikkedarm en endeldarm



8.2 De operatie

Op de vorige pagina ziet u een afbeelding van de dikke darm die overgaat in de endeldarm. De dikke darm is ongeveer 120 cm lang. De dikke darm zorgt ervoor dat water en zouten uit de dunne ontlasting worden gehaald en aan het bloed worden afgegeven. De ontlasting is daardoor ingedikt voordat het in de endeldarm terechtkomt.

De endeldarm is ongeveer 15 cm lang. De ontlasting verlaat het lichaam via de anus. In de endeldarm wordt ontlasting tijdelijk opgeslagen. Als de endeldarm vol is, gaat er een seintje naar de hersenen en voelt u aandrang om naar de wc te gaan.

Bij een operatie aan de dikke darm verwijdert de chirurg de tumor met daarbij een ruime marge aan weerszijden van de tumor. De twee gezonde darmuiteinden worden weer aan elkaar gehecht.

Bij een endeldarmoperatie kan het nodig zijn om een tijdelijke stoma aan te leggen. Dit is afhankelijk van de positie van de tumor, de voorbehandeling, uw conditie en de werking van uw bekkenbodem. Wanneer de tumor zich te dicht bij de anus bevindt, zal de anus mogelijk volledig moeten worden verwijderd. In dat geval krijgt u een blijvend stoma.

De operatie vindt plaats onder algehele verdoving (narcose). Daardoor merkt u niets van de operatie. Binnen een half uur na de operatie bent u weer bij bewustzijn. Na de operatie gaat u naar de uitslaapkamer. Als u goed wakker bent en uw situatie stabiel is, gaat u terug naar de verpleegafdeling.

8.2.1 Risico’s en complicaties
Elke medische behandeling brengt risico's met zich mee. Deze worden voor de operatie uitvoerig met u besproken. Afhankelijk van het soort darmoperatie dat u krijgt, komen verschillende bijwerkingen en complicaties in meer of mindere mate voor.

De belangrijkste risico’s/complicaties die kunnen optreden bij een darmoperatie:
Aanvullende risico’s/complicaties die kunnen optreden bij een endeldarmoperatie:
Gevolgen na een operatie aan de endeldarm
Wanneer een deel van de endeldarm is verwijderd, kan er minder ontlasting in de endeldarm worden opgeslagen. Daardoor moet u na de operatie vaker naar het toilet. Ook kan ontlasting eerst nog dun zijn. De eerste drie tot zes maanden na de operatie merkt u de meeste verbetering. Tot twee jaar na de operatie kunt u nog steeds vooruitgang merken in het herstel. Na een endeldarmoperatie is het normaal als u drie tot zeven keer per dag naar het toilet moet voor ontlasting.


8.3 Voorbereiding op de operatie

8.3.1 Centraal Planbureau
Wanneer de operatie gepland wordt, gaat u naar het Centraal Planbureau. Daar wordt u gevraagd om een pre-operatieve vragenlijst in te vullen. Ook worden uw vitale functies gecontroleerd en wordt bekeken of er vóór de operatie nog aanvullend onderzoek nodig is (bijvoorbeeld bloedprikken of een hartfilmpje).

8.3.2. Prehabilitatie: fit voor uw operatie
Prehabilitatie is een programma voorafgaand aan uw operatie. Het doel is om uw conditie te verbeteren. Kanker en de operatie (eventueel in combinatie met chemotherapie) vragen vaak veel van uw lichaam. Met méér spiermassa heeft u méér spierkracht. Daarmee bent u fitter en in een betere conditie op het moment dat u geopereerd wordt. Naar verwachting is de kans op complicaties en bijwerkingen van de operatie kleiner en herstelt u sneller.

Beweging en goede voeding zijn erg belangrijk voor een gezonde spieropbouw.. Beweging en voeding versterken elkaars werking. Tijdens de training worden uw spieren geprikkeld om op te bouwen en de voeding levert bouwstoffen voor de spiergroei.

De wachttijd voor een darmoperatie is gemiddeld 5 weken. Deze tijd is heel goed te gebruiken om te trainen. Sneller opereren heeft geen extra voordelen op bijvoorbeeld uw genezingskans. Een goede voorbereiding door uw conditie te verbeteren heeft wél een groot effect op het herstel na de operatie.


Het prehabilitatieprogramma bestaat uit vier onderdelen:
  1. Een voedingsprogramma onder begeleiding van een diëtist
  2. Een trainingsprogramma onder begeleiding van een fysiotherapeut
  3. Mentale ondersteuning
  4. Stoppen met roken en drinken (indien van toepassing)
1.Voedingsprogramma onder begeleiding van een diëtist
Aan het begin van het programma heeft u een afspraak bij de diëtist. Tijdens deze afspraak bespreekt u uw voedingspatroon en krijgt u adviezen mee. Het is de bedoeling dat u eiwit- en vitaminesupplementen gebruikt in de 4 weken voorafgaand aan uw operatie. De diëtist vertelt u hier meer over.

Door uw ziekte maakt uw lichaam anders gebruik van voedingsstoffen. Er wordt in verhouding meer spiermassa afgebroken bij een tekort aan eiwit uit voeding. Het is belangrijk om voldoende energie en eiwitten binnen te krijgen, om de afbraak van spiermassa te beperken. Om uw conditie op te bouwen heeft u als basis gezonde voeding nodig die alle voedingsstoffen bevat. De diëtist kijkt samen met u naar mogelijkheden om dit in uw eigen voedingspatroon in te passen.

2. Trainingsprogramma onder begeleiding van een fysiotherapeut
Het trainingsprogramma bestaat uit een intake en training. Aan het begin van het programma krijgt u een afspraak voor een intake met de fysiotherapeut in het Slingeland Ziekenhuis. Tijdens de intake wordt uw fysieke fitheid bepaald door het uitvoeren van een aantal lichamelijke fitheidstesten. Deze testen worden afgenomen om een beeld te krijgen van uw uithoudingsvermogen, kracht en algehele niveau van bewegen. Tijdens de testen zoekt de fysiotherapeut uw fysieke grens op. Houd er dus rekening mee dat de testen behoorlijk vermoeiend zullen zijn. De intake duurt ongeveer 60 minuten. Trek sportieve kleding aan naar deze afspraak en draag goede (sport)schoenen.

Naast het afnemen van de testen bespreekt de fysiotherapeut tijdens de intake samen met u het verdere verloop van de trainingsprogramma. Het programma zal bestaan uit 4 weken lang 5 keer per week fysiek trainen:
Na de intake start u in principe zo snel mogelijk met trainen (soms al dezelfde week).

In de laatste trainingsweek testen wij uw fysieke fitheid nog een keer. U doet testen die u bij de intake heeft gedaan opnieuw. Hierdoor kunnen we het effect van de training (voortgang) goed in kaart brengen.


De kosten voor de afspraak bij de fysiotherapeut in het ziekenhuis worden niet vergoed vanuit de basisverzekering. Dat geldt ook voor het trainingsprogramma. Mogelijk worden de kosten wel vergoed vanuit uw aanvullende verzekering. Informeer bij uw zorgverzekeraar als u wilt weten of u deze kosten vergoed krijgt.

3. Mentale ondersteuning

In de periode voor de operatie komt er veel op u af. De verpleegkundig specialist bespreekt met u of u behoefte heeft aan extra mentale ondersteuning. Zo nodig kunt u een verwijzing krijgen naar onze medisch psycholoog of medisch maatschappelijk werker. Zij kunnen u helpen bij het omgaan met angstige of sombere gevoelens in aanloop naar de operatie. U kunt denken aan het omgaan met en het verwerken van de ziekte en de gevolgen voor uw dagelijks leven. Bijvoorbeeld de zorg voor de kinderen, werk, financiën en praktische zaken, invloed op relaties, veranderd toekomstperspectief, levens- en geloofsvragen en andere psychische problemen.

Leefstijl is van groot belang voor onze gezondheid. Voeding en bewegen horen daarbij, maar ook het vermijden van (te veel) stress. Stress kan namelijk lichamelijke reacties oproepen die vergelijkbaar zijn met reacties die veroorzaakt worden door inspanning, bijvoorbeeld hartkloppingen en zweten.

U kunt leren om u aan te passen aan stressvolle situaties en tegenslagen, zonder dat u de negatieve lichamelijke en emotionele gevolgen van stress ervaart. Dat kunt u doen door veranderingen door te voeren in uw dagelijks leven. Bijvoorbeeld door een positieve houding aan te nemen of rustmomenten in te bouwen. Mindfulness, yoga of massage kunnen hieraan bijdragen.

4. Stoppen met roken en drinken (indien van toepassing)
Roken is niet goed voor uw conditie en fitheid. Het is belangrijk dat u stopt met roken om zo uw fitheid te vergroten. Ook verkleint u daarmee de kans op complicaties die ontstaan door de darmoperatie, zoals naadlekkage, infectie, longontsteking, trombose en nierfalen. Wij kunnen u daarbij helpen. In het ziekenhuis wordt u een programma aangeboden waarbij u met behulp van nicotinepleisters en coaching geholpen wordt om te stoppen. Wij verwijzen u dan naar www.rookvrijookjij.nl.

Alcoholgebruik verhoogt de kans op nabloedingen en het risico op acute verwardheid. Wij adviseren u om 4 weken voor de operatie te stoppen met het drinken van alcohol. Daarmee verkleint u de kans op de complicaties aanzienlijk.


8.3.3 Afspraak met de chirurg en verpleegkundig specialist coloncare

U krijgt een afspraak met de chirurg die u gaat opereren en de verpleegkundig specialist coloncare op de polikliniek Maag-, darm- en oncologische chirurgie. De verpleegkundig specialist geeft u uitleg over de voorbereiding op de operatie, de opname, de operatie, de eventuele voorbehandeling, het verwachte verloop, de risico's en mogelijke complicaties. Ook bespreekt zij met u wat u kunt verwachten als u weer thuis bent en of u zich de eerste periode na de operatie thuis kunt redden. Alle onderwerpen die met uw operatie te maken hebben, kunt u bespreken, zoals praktische problemen, maar ook angst en onzekerheid. De verpleegkundig specialist kan u ook ondersteuning bieden bij het verwerken van en het omgaan met uw ziekte.

U maakt kennis met de chirurg en u kunt natuurlijk uw vragen stellen. Op basis van deze informatie maakt u samen met uw arts de keuze tot een operatie.

Neemt u gerust iemand mee naar het spreekuur. Uw naaste kan dan ook vragen stellen. Wanneer u vragen heeft, raden wij u aan deze op te schrijven.

Deze afspraak wordt gecombineerd met een afspraak op het medicatiespreekuur en een bezoek aan de anesthesioloog.

8.3.4 Bezoek aan het medicatiespreekuur en de anesthesioloog
Voordat u wordt opgenomen heeft u een afspraak op het medicatiespreekuur. Een apothekersassistent bespreekt met u welke medicijnen u gebruikt. Neem voor deze afspraak altijd uw actuele medicatieoverzicht mee. Dit overzicht is verkrijgbaar bij uw eigen apotheek.

Aansluitend heeft u een afspraak met de anesthesioloog. Hij geeft u informatie over de narcose (verdoving tijdens de operatie) en de pijnstilling die u krijgt na de operatie (zie ook paragraaf 8.5). Ook bekijkt hij of dat u voor de operatie nog gezien moet worden door andere specialisten, zoals de cardioloog of longarts. Dit gebeurt om de kans op complicaties te verkleinen.

8.3.5 Bezoek aan de stomaconsulent
Wanneer de kans aanwezig is dat de chirurg tijdens de operatie een stoma moet aanleggen, maken wij voor de operatie een afspraak voor u met de stomaconsulent. De stomaconsulent is een verpleegkundige die zich heeft gespecialiseerd in stomazorg. Tijdens dit gesprek krijgt u informatie over wat een stoma is, de verzorging, het opvangmateriaal en leven met een stoma. Ook bekijkt zij wat de beste plek is voor het aanleggen van de stoma. Het gesprek met de stomaconsulent duurt ongeveer 2 uur.


8.3.6 Preoperatief onderzoek Geriatrie

Mogelijk wordt u voor de operatie ook onderzocht op de polikliniek Geriatrie. Dit doen we om eventuele problemen voor de operatie op te sporen zodat u de operatie zo goed mogelijk doorstaat en na de operatie zo goed mogelijk herstelt. Meer informatie vindt u in de folder ‘Preoperatief onderzoek geriatrie’. Indien van toepassing ontvangt u de folder van de verpleegkundig specialist.

8.3.7 Medicatie
Wanneer u medicatie gebruikt, bespreekt de anesthesioloog met u of het noodzakelijk is het gebruik ervan tijdelijk te stoppen of aan te passen.

Wanneer u erg nerveus bent voor de operatie, overleg dan met de anesthesioloog of hij eenmalig een slaap- of kalmeringstabletje voorschrijft.

Als u diabetes heeft, dient u zeer waarschijnlijk uw medicatie aan te passen. Dit wordt dan met u besproken.

8.3.8 Laxeren
Hieronder is aangekruist wat voor u van toepassing is:
8.3.9 Wat u voorafgaand aan de operatie wel en niet mag eten
Hieronder leest u wat u voor de operatie wel en niet mag eten. Het is belangrijk dat u zich strikt aan deze regels houdt. Het is belangrijk dat u nuchter bent voor de operatie omdat de narcose normale reflexen (zoals hoesten en slikken) onderdrukt. Ook uw spieren verslappen. Voedsel dat in uw maag zit kan daardoor teruglopen in de keelholte en vervolgens in de longen komen. Hierdoor kunnen ernstige problemen ontstaan.

De avond voor de operatie

Wij adviseren u om de avond voor de operatie extra energierijke dranken te drinken. Maak een keuze uit de volgende dranken:
Als laxeren niet nodig is of als u alleen een klysma krijgt:
Als laxeren met X-praep wel nodig is:
Heeft u diabetes?
Gebruik dan suikervrije dranken volgens bovenstaande richtlijnen. Voorafgaand aan de operatie krijgt u geen PreOp-drank te drinken.

* Heldere dranken = water, thee of koffie zonder melk of melkpoeder, siroop (ranja/roosvicee), appelsap of helder vruchtensap zonder vruchtvlees, sportdrank. Géén koolzuurhoudende frisdrank, melkproducten of alcoholische dranken.

8.3.10 Kauwgom kauwen
Wij adviseren u om vanaf twee uur voor de operatie regelmatig kauwgom te kauwen. Uit onderzoek is gebleken dat dit goed is voor het herstel na de operatie.


8.4 De ziekenhuisopname

U wordt op de dag van de operatie opgenomen in het ziekenhuis. Meldt u zich op de afgesproken datum en tijd bij de medewerker van de receptie bij de hoofdingang. Daar wordt u opgehaald door de medewerker Gastenservice van de verpleegafdeling. In principe gaat u naar verpleegafdeling N2.

Op de verpleegafdeling wordt u ontvangen door een verpleegkundige. Zij neemt alle gegevens nogmaals met u door en legt de gang van zaken uit. Voor algemene informatie over de opname in het ziekenhuis kunt u de folder 'Uw opname in het Slingeland Ziekenhuis' raadplegen. Specifieke informatie over de verpleegafdeling vindt u in de afdelingsfolder.


8.5 Pijnbestrijding na de operatie

Tijdens uw bezoek aan de anesthesioloog bespreekt hij met u de wijze van pijnstilling na de operatie.

8.5.1 Soorten pijnbestrijding na de operatie
Er zijn verschillende mogelijkheden van pijnstilling na de operatie:
8.5.2 Zorg voor voldoende pijnstilling
Goede pijnbestrijding is van groot belang voor een snel herstel. Pijn zorgt ervoor dat u minder snel herstelt. De pijnstillende medicatie werkt beter als u deze regelmatig toedient/inneemt.

Regelmatig vraagt een verpleegkundige of u pijn heeft. U kunt uw pijnbeleving uitdrukken in een pijncijfer op een schaal van 0 (=geen pijn) tot en met 10 (=meest erge pijn ooit gehad). Zo nodig passen we de pijnstilling hierop aan.


8.6 Na de operatie

8.6.1 Voeding

Voeding levert energie en belangrijke voedingsstoffen zoals eiwitten, vitamines en mineralen. Uit onderzoek blijkt dat mensen die na een operatie snel voldoende eten, minder spierkracht verliezen, sneller herstellen en ook minder lang in het ziekenhuis opgenomen zijn.

Na de operatie mag u direct weer drinken. Kiest u bij voorkeur eerst water of thee. Gaat dit goed dan breidt u dit uit naar andere dranken en koude vloeibare voeding.

De dag na de operatie krijgt u normale voeding. Mogelijk heeft u na de operatie minder zin om te eten. Ook moet het maag-darmkanaal zich aanpassen aan de nieuwe situatie. Daarom is het goed het eten in kleine porties over de dag te verdelen. In de herstelfase, gedurende ongeveer zes weken na uw operatie, is het belangrijk voldoende eiwitten te gebruiken. Gebruikt u daarom een ruime hoeveelheid melk en melkproducten; bij de warme maaltijd vlees, vis of kip en bij de broodmaaltijd liever kaas, pindakaas, ei of vleeswaren dan zoet beleg.

Omdat het vaak moeilijk is om de eerste dagen voldoende te eten, krijgt u naast drie kleine hoofdmaaltijden ter aanvulling twee flesjes drinkvoeding, verdeeld over de dag. Drinkvoeding is een eiwit- en energierijke drank op basis van melk, yoghurt of sap in verschillende smaken. Breidt u in de dagen van het ziekenhuisverblijf geleidelijk uw voeding uit en vervang de drinkvoeding door andere eiwitrijke producten.

Probeer tenminste 1,5 tot 2 liter per dag te drinken.

Ook adviseren wij om na de operatie regelmatig kauwgom te kauwen. Uit onderzoek is gebleken dat dit een positieve uitwerking heeft op het herstel na de operatie. Wanneer u weer gewoon kunt eten mag u hiermee stoppen.

Tijdens de opname krijgt u bezoek van de diëtist. Zij geeft u adviezen ten aanzien van de voeding (of voedingsmiddelen) en beantwoordt uw vragen.

8.6.2 Voorkomen van misselijkheid en braken
Het is mogelijk dat u na de operatie misselijk bent of moet overgeven. Geeft u dit tijdig aan bij de verpleegkundige. Zij kan u medicatie geven tegen de misselijkheid. Het is belangrijk de misselijkheid actief te bestrijden zodat u kunt blijven eten en drinken. De voedingsstoffen uit de voeding zijn van groot belang voor het herstel na de operatie.

8.6.3 Bewegen
We proberen de periode dat u in bed ligt zo kort mogelijk te houden. Dit heeft verschillende voordelen:
Na de operatie begint u zo snel mogelijk met bewegen en uit bed gaan. Op de dag van de operatie probeert u 's middags of 's avonds ongeveer een kwartier in een stoel te zitten. Als dat niet lukt, probeert u dan in ieder geval even op de rand van het bed te zitten. De verpleegkundige helpt u hierbij.

De dagen na de operatie gaat u steeds vaker uit bed. Het streven is om minstens zes uur uit bed te zijn en twee keer per dag een korte wandeling te maken over de afdeling. Uiteraard is hierbij belangrijk dat u voldoende pijnbestrijding heeft om goed te kunnen bewegen.

Tijdens de opname krijgt u begeleiding van de fysiotherapeut. Hij/zij geeft u instructies over de ademhaling en het hoesten na de operatie. Ook helpt de fysiotherapeut u om voldoende actief te zijn.

8.6.4 Infuus en katheters
Tijdens de operatie wordt er een slangetje in uw blaas gebracht (blaaskatheter). De verpleegkundige verwijdert deze zodra u weer zelf kunt plassen. Wanneer u een epiduraal katheter heeft, houdt u de blaaskatheter tot de verpleegkundige de epiduraal katheter verwijdert op de tweede of de derde dag na de operatie. Bij een operatie aan de endeldarm wordt de blaaskatheter vaak rond de vierde dag na de operatie verwijderd.

Daarnaast heeft u na de operatie een infuus waardoor vocht wordt toegediend. Als u na de operatie in staat bent meer dan 1,5 liter per dag te drinken, verwijdert de verpleegkundige het infuus.

Na de operatie krijgt u extra zuurstof door een slangetje in uw neus. De verpleegkundige verwijdert dit slangetje de avond van de operatie of de volgende ochtend.

8.6.5 Laxeermiddel

U krijgt vanaf de eerste dag na de operatie tweemaal per dag een laxeermiddel. Dit bevordert de werking van de dikke darm en voorkomt verstopping.


8.7 Weer naar huis

8.7.1 Wanneer mag u weer naar huis
U mag naar huis wanneer:
De arts bespreekt met u wanneer u naar huis kunt. De verpleegkundige neemt met u door wat er nog geregeld moet worden voor u het ziekenhuis kunt verlaten.

U krijgt een afspraak mee voor controle op de polikliniek Chirurgie. De chirurg en/of de verpleegkundig specialist controleren dan uw herstel en bespreken de uitslag van de operatie met u. Ook wordt dan een eventuele nabehandeling en het vervolgtraject met u besproken.

8.7.2 Richtlijnen voor thuis

Hieronder vindt u een aantal belangrijke richtlijnen en adviezen die gelden als u weer thuis bent. Deze leefregels hebben vooral betrekking op werk, lichaamsbeweging en lichaamsverzorging. Deze richtlijnen en adviezen kunnen afwijken bij u. Als dit zo is, bespreekt uw arts of verpleegkundige dat met u.

Hulp
In principe heeft u, als u voor de operatie zelfstandig functioneerde, na de operatie geen extra thuiszorg nodig. Wel is het prettig als u de eerste twee weken hulp krijgt van uw partner, familie of andere naasten bij huishoudelijke klussen. Wij adviseren u zware huishoudelijke taken, zoals stofzuigen en ramen wassen te vermijden. De eerste zes weken mag u geen zware dingen tillen.

Lichaamsbeweging/sporten
Zorg voor voldoende lichaamsbeweging. Dagelijks wandelen is goed voor uw herstel. Begin met kleine stukjes en breidt dit uit wanneer het kan. Hierbij geldt; luister naar uw lichaam, bouw uw activiteiten rustig op, doseer uw activiteiten en neem voldoende rust tussendoor. Krachtsporten of andere sporten waarbij er veel druk op de wond wordt uitgeoefend, dient u te vermijden gedurende de eerste zes weken na de operatie.

Pijnmedicatie
Als u medicijnen gebruikt, is het belangrijk dat u de voorschriften in de bijsluiter opvolgt. De werking van medicijnen is doorgaans beter als u zich aan deze voorschriften houdt. Neem de pijnmedicatie op tijd in, wacht niet totdat u pijn krijgt. Het is belangrijk om de pijn te onderdrukken voordat deze optreedt.

Voeding
U hoeft na een darmoperatie geen dieet te volgen. Wel is het verstandig om in het begin meerdere kleine maaltijden per dag te gebruiken en voldoende eiwitten te gebruiken. Wanneer er voor u andere voorschriften gelden, bespreekt de verpleegkundige of diëtist dit met u. Het is verstandig om voldoende te drinken. Streef naar 2 liter per dag.

Lichaamstemperatuur meten
Meet in de eerste week dat u weer thuis bent, twee keer per dag uw temperatuur. Zo kunt u in de gaten houden of u geen koorts heeft (hoger dan 38 °C). Douchen U mag zich douchen. Zorg er wel voor dat er geen zeepresten in de wond achterblijven. Wanneer de wond goed gesloten is, mag u ook in bad. Te lang in bad gaan raden wij af in verband met verweking van de wondranden.

Wondverzorging
In veel gevallen is een pleister op de wond niet nodig. Zolang de wond wat vocht afscheidt, gebruikt u wel een pleister. Vervang deze pleister iedere dag tot er geen vocht meer uit de wond komt. U kunt een gewone pleister van de drogist gebruiken. Op de polikliniek worden de hechtingen zo nodig verwijderd.

Seksualiteit
In principe zijn er geen medische bezwaren ten aanzien van vrijen na de operatie, tenzij de arts anders met u heeft afgesproken. Luister wel naar uw eigen lichaam wat mogelijkheden en behoeften betreft.

Werken
Wanneer u weer kunt werken hangt af van uw lichamelijk herstel en van het werk dat u verricht. Meestal kunt u na enkele weken weer aan het werk. Bespreek dit met de chirurg, verpleegkundig specialist en uw bedrijfsarts.

Autorijden
Het is de eerste twee weken na de operatie niet verstandig om auto te rijden. Vraag bij uw autoverzekering na of u de eerste weken na de operatie wel verzekerd bent.


8.8 Controleafspraken

8.8.1 Telefonisch contact
Twee of drie dagen na uw ontslag uit het ziekenhuis belt de verpleegkundig specialist coloncare u. Als er vragen of problemen zijn, kunt u dat met haar bespreken.

8.8.2 Controleafspraak op de polikliniek
Tien tot veertien dagen na de operatie heeft u een controleafspraak met de verpleegkundig specialist en de chirurg op de polikliniek Maag-, darm- en oncologische chirurgie. Tijdens deze controle wordt het herstel na de operatie en de uitslag van het weefselonderzoek met u besproken.


8.9 Wanneer moet u een arts raadplegen

Het is belangrijk om contact op te nemen als er problemen ontstaan. Bel wanneer u klachten krijgt als:
Wie moet u bellen?
Neem bij problemen of vragen na uw opname in het ziekenhuis contact op met uw huisarts. Uw huisarts is op de hoogte van uw situatie. Indien nodig overlegt de huisarts met de specialist in het ziekenhuis. Buiten kantoortijden en in het weekend kunt u de huisartsenpost bellen.


8.10 Registratie van uw gegevens

In Nederland worden onder andere door de Inspectie voor de Gezondheidszorg, beroepsverenigingen van specialisten, patiëntenorganisaties en verzekeraars, normen en kwaliteitseisen opgesteld waaraan de verleende zorg wordt getoetst. Wanneer u een darmoperatie krijgt omdat u darmkanker heeft, is het ziekenhuis verplicht om uitgebreide gegevens over uw behandeltraject en de uitkomsten aan te leveren aan het DICA (Dutch Institute of Clinical Auditing). Deze gegevens worden naast de gestelde eisen/normen gelegd en er wordt gekeken of het ziekenhuis aan de gestelde eisen voldoet. Ieder jaar krijgen de ziekenhuizen een terugkoppeling van de resultaten.


9. Controle na de behandeling(en)



9.1 Inleiding

Na de behandeling van darmkanker, wordt samen met u een persoonlijk nazorgplan opgesteld. Over het algemeen blijft u tot vijf jaar onder controle. De controles na de behandeling worden gedaan door de verpleegkundig specialist. Afhankelijk van de behandeling die u heeft gehad, is de chirurg, mdl-arts of oncoloog uw hoofdbehandelaar.

Uw hoofbehandelaar is ................................................................................

In de eerste plaats zijn de controles bedoeld om uw ziekteproces in de gaten te houden. Ook is er aandacht voor de gevolgen die een ziekte en behandeling met zich mee kan brengen. Bijvoorbeeld op lichamelijk of geestelijk gebied. Als u klachten heeft, kunt u dit bespreken met de verpleegkundig specialist.

Neemt u bij ieder bezoek aan het ziekenhuis deze Patiënteninformatiewijzer mee.


9.2 Controle

Na de behandeling(en) vinden er verschillende controleafspraken plaats. Deze afspraken vinden plaats volgens de landelijke richtlijn darmkanker. Afhankelijk van uw persoonlijke situatie kan er worden afgeweken van deze richtlijn. In de tabel op de volgende bladzijde ziet u wanneer de controleafspraken met de verpleegkundig specialist plaatsvinden, of het een telefonische controle is of een controle op de polikliniek en welke onderzoeken er worden gedaan.


9.3 Begeleiding

De verpleegkundig specialist bespreekt ook regelmatig de lastmeter met u om na te gaan hoe het met u gaat op lichamelijk, emotioneel, psychosociaal en spiritueel gebied.

Mogelijk komt u pas aan de verwerking toe nadat de actieve behandeling is afgerond. Of loopt u juist tegen problemen aan op het moment dat u uw dagelijkse activiteiten op wilt pakken en merkt dat dat niet makkelijk gaat. Soms lukt het prima om dit met uw naasten op te lossen. Of in het geval dat u nog werkt, goede afspraken te maken met uw werkgever. Het kan zijn dat u de behoefte heeft om er met iemand anders over te praten. U kunt hiervoor contact opnemen met de verpleegkundig specialist. Zij probeert u op de juiste manier te begeleiden.

In de folder ‘Omgaan met kanker’ (achterin deze map) ziet u welke zorgverleners in het ziekenhuis u hier ook bij kunnen helpen. Indien wenselijk kan de verpleegkundig specialist u verwijzen.

9.4 Overzicht van de controleafspraken na de operatie

Moment na de operatie Controle Bloed-onderzoek (CEA) Coloscopie CT-scan
Uitslag weefselonderzoek op de
polikliniek
x
3 maandenop de
polikliniek
x
6 maandenop de
polikliniek
x
9 maandentelefonisch x
1 jaarop de
polikliniek
x x x
1 jaar en 3 maandentelefonisch x
1 jaar en 6 maandenop de
polikliniek
x
1 jaar en 9 maandentelefonisch x
2 jaarop de
polikliniek
x
2 jaar en 6 maandentelefonisch x
3 jaarop de
polikliniek
x
3 jaar en 6 maandentelefonisch x
4 jaarop de
polikliniek
x
4 jaar en 6 maandentelefonisch x
5 jaarop de
polikliniek
x



10. Herstel na de behandeling



Het is goed om te proberen uw vertrouwde activiteiten weer op te pakken als de behandeling is afgerond. Dit zal niet altijd even makkelijk gaan. Soms heeft een behandeling behoorlijk ingrijpende lichamelijk en/of psychische gevolgen.

Het is goed om aan uw conditie te werken. Dit kan alleen of begeleid op een sportschool. Er zijn verschillende sportscholen in Nederland die zijn gericht op revalidatie na een behandeling van kanker. Het sportprogramma wordt op uw mogelijkheden aangepast.

Met de verpleegkundig specialist kunt u bespreken welke begeleiding u wenst. Zij kan u hierin adviseren.


11. Erfelijkheid



11.1 Inleiding

In sommige families komt darmkanker vaak voor. Naar schatting is er in vijf tot tien procent van alle gevallen van darmkanker sprake van erfelijke aanleg bij de patiënt. Bij de meeste mensen die darmkanker krijgen, is er geen sprake van een erfelijke variant.

Ook als er geen sprake is van erfelijke aanleg, heeft de een meer kans op het krijgen van darmkanker dan de ander. Als meerdere familieleden darmkanker hebben (gehad), is het risico op het krijgen van darmkanker groter. Het risico stijgt naarmate meer eerstegraads familieleden (vader, moeder, kind) kanker hebben (gehad). Vooral als de darmkanker zich voordeed op jongere leeftijd.


11.2 Ziektebeelden die erfelijke darmkanker veroorzaken

Er zijn twee ziektebeelden bekend die een erfelijke vorm van dikkedarmkanker (kunnen) veroorzaken:
  1. Het Lynch-syndroom (voorheen HNPCC) Heeft een van uw ouders deze ziekte? Dan heeft u 50% kans dat u deze erfelijke variant van darmkanker ook krijgt. Heeft u deze ziekte zelf? Dan is er 50% kans dat u deze erfelijke ziekte doorgeeft aan uw kind(eren). Bij iedereen die geopereerd wordt aan darmkanker wordt ook meteen onderzocht of er genmutaties aanwezig zijn die wijzen op het Lynch-syndroom. Als dergelijke genmutaties zijn gevonden, wordt u verwezen naar het Klinisch Genetisch Centrum in Nijmegen.
  2. Familiare adenomateuze polyposis (FAP) Familiaire adenomateuze polyposis is een zeldzame erfelijke ziekte. De meeste families in Nederland met deze aandoening zijn bekend. Het is een aandoening waarbij aangedane familieleden vaak al op jeugdige leeftijd zeer veel poliepen hebben in de dikke darm. Het risico op darmkanker is vrijwel 100%.
11.3 Onderzoek naar erfelijke aanleg

De verpleegkundig specialist bespreekt met u de situatie in uw familie en de uitslag van het weefselonderzoek. Indien nodig verwijst zij u naar een klinisch genetisch centrum om na te gaan of er sprake is van erfelijke darmkanker. Het kan ook zijn dat zij uw familieleden advies geeft om preventief darmonderzoek te laten doen.


12. Meedoen aan onderzoek


Het Slingeland Ziekenhuis doet regelmatig mee aan onderzoeken om de zorg voor patiënten met darmkanker te verbeteren. Het kan zijn dat u ook gevraagd wordt om mee te doen. Dit is geheel vrijblijvend.

Wat het onderzoek precies inhoudt, wordt altijd duidelijk met u besproken, zodat u weet waaraan u eventueel gaat deelnemen.

Voel u niet bezwaard als u niet meedoet. Als u besluit om niet mee te doen aan een onderzoek, wordt u op geen enkele wijze tekort gedaan in uw behandeling.

Als u wel deelneemt en u bedenkt zich, dan kunt u op elk moment van verdere deelname aan het onderzoek afzien.


13. Websites en organisaties voor meer informatie


Op dit kenniscentrum Darmkanker van het Slingeland Ziekenhuis vindt u informatie over onder meer onderzoeken, behandelmogelijkheden en erfelijkheid bij darmkanker. Ook kunt u er zien met welke zorgverleners u mogelijk te maken heeft.

Overzicht van zorgprofessionals in de Achterhoek die u kunnen ondersteunen en begeleiden.

Website van het Integraal Kankercentrum Nederland (IKNL).
Deze website helpt u bij het vinden van ondersteunende behandeling en begeleiding bij kanker.

Gratis hulp- en informatielijn voor persoonlijke gesprekken: 0800 - 0226622 Website: www.kwf.nl

Deze patiëntenorganisatie biedt lotgenotencontact, voorlichting en belangenbehartiging voor darmkankerpatiënten en hun naasten.
Website: www.darmkankernederland.nl
E-mail: lotgenotencontact@spks.nl

Een initiatief van KWF Kankerbestrijding, patiëntenbeweging Levenmetkanker en IKNL (kenniscentrum voor zorgverleners in de oncologie). Op deze website vindt u betrouwbare informatie, ervaringskennis en het ondersteunings-aanbod rond kanker op één plek.

Bewegen tijdens of na de behandeling van kanker kan helpen een deel van de klachten te voorkomen of te verminderen. Op deze website vindt u informatie over het belang van bewegen bij kanker.


U bent hier welkom voor informatie, advies, lotgenotencontact en/of een kop koffie. Ook worden er diverse activiteiten georganiseerd.
Adres: Plantenstraat 2, Doetinchem.
Telefoon: (0314) 33 01 81
Website: www.hetoudeijsselhuis.nl


14. Vragen/aantekeningen





Foldernummer: 2222-nov 22